WGA: als je nog werken kunt
De WIA wil voorkomen dat werknemers onnodig aan de kant komen te staan. Na twee jaar ziekte volgt een keuring bij het UWV. De verzekeringsarts bekijkt wat je – met de beperkingen door ziekte of handicap- nog wel kunt en hoeveel je nog kunt verdienen. Waarschijnlijk is dat minder dan voorheen. Dit heet ‘loonverlies’. Als het loonverlies tussen de 35 en 80 procent is, krijg je te maken met de WGA.
Verdiencapaciteit
Het UWV bepaalt bij de keuring welke functies je nog zou kunnen uitoefenen. Vervolgens wordt gekeken wat je met die functies kunt verdienen (de zogenoemde ‘verdiencapaciteit’). De bijbehorende salarissen worden vergeleken met het oude salaris. Het verschil bepaalt het arbeidsongeschiktheidspercentage. Bijvoorbeeld: je verdiende 1.000 euro. Met de functies die je nog zou kunnen uitoefenen blijk je in theorie 600 euro te kunnen verdienen. Dit wordt ‘resterende verdiencapaciteit’ genoemd. Je verliest dus 400 euro verdiencapaciteit. Dit is 40 procent van het oude loon. Je arbeidsongeschiktheidspercentage is dan 40 procent.
Financiële gevolgen WGA
De WGA-uitkering bestaat uit verschillende fasen. In de eerste periode krijg je een uitkering op basis van het vroegere loon (de ‘loongerelateerde uitkering’). Daarna volgt een loonaanvulling of een uitkering, afhankelijk van wat je op dat moment verdient.
De loongerelateerde uitkering (dus wat je eerst krijgt) bedraagt 70 procent van wat je verdiende voordat je ziek werd (tot een bepaald maximum). Tenminste, als je niet werkt. Heb je wel werk, dan krijg je bovenop je nieuwe loon een uitkering die 70 procent is van het bedrag dat je minder verdient in vergelijking met je vroegere loon (ook met een maximum). Per 1 januari 2008 duurt deze loongerelateerde uitkering minimaal een half jaar en maximaal 38 maanden. Dit is afhankelijk van hoeveel jaren je al hebt gewerkt en hoeveel weken in de periode voordat je ziek werd. Je moet minimaal 26 van de laatste 36 weken gewerkt hebben.
In de tweede periode, na afloop van de loongerelateerde uitkering, wordt gekeken of je genoeg werkt. Zo ja, dan ontvang je een aanvulling op je nieuwe salaris. Die aanvulling bedraagt 70 procent van het verschil tussen je oude loon en het loon dat je zou ontvangen als je je volledige verdiencapaciteit benut. Je krijgt dus een groot deel van het ‘verschil’ terug. Heb je geen werk of verdien je minder dan 50 procent van je verdiencapaciteit, dan krijg je een uitkering dat een bepaald percentage is van het minimumloon. Dit percentage is afhankelijk van je arbeidsongeschiktheidspercentage.
Wel volledig, niet duurzaam arbeids(on)geschikt
Als je nu nog niet kan werken, maar wel uitzicht hebt dat het in de toekomst weer gaat lukken, dan krijg je eerst een loongerelateerde uitkering van 70 procent van je oude loon. Net zoals bij de WGA. Deze uitkering duurt net zolang totdat je geheel of gedeeltelijk weer kunt werken of totdat duidelijk is dat je niet meer zult herstellen.
Je keuring voorbereid tegemoet
Het systeem van keuringen of herkeuringen brengt voor mensen veel onzekerheid met zich mee. Het CNV kan leden hierin praktische hulp bieden door het inschakelen van een vertrouwenspersoon WAO-WIA. CNV Vertrouwenspersonen geven geen juridisch advies, wél kun je bij hen terecht voor informatie en advies over keuringen en herkeuringen. Uiteraard is alles wat je met de vertrouwenspersoon bespreekt strikt vertrouwelijk.
Ben je CNV-lid en wil je gebruik maken van onze vertrouwenspersonen? Of er meer over weten? Klik dan hier of neem contact op met CNV Info.




