Speech CNV-voorzitter Maurice Limmen over Lastige Handel: "Maak internationale handel sociaal"

12-04-2017

Word nu lid!

Meld je aan bij CNV en profiteer van alle voordelen.

Word lid

CNV-voorzitter Maurice Limmen hield op 11 april 2017 een speech op het symposium 'Lastige handel'. Hij sprak hier over internationale handel in tijden van populisme. Het congres is georganiseerd door het Wetenschappelijk Instituut van het CDA en was ter gelegenheid van het afscheid van directeur Rien Fraanje.

Een werk waar Rien Fraanje, die vandaag afscheid neemt van het Wetenschappelijk Instituut (WI) van het CDA, zelf een inhoudelijke hand in heeft gehad is het WI-rapport 'Lang leve het verschil, weg met de fragmentatie'. Dat rapport legt op een goede manier de vinger op één van de grote uitdagingen van onze tijd: de uitholling van de middenklasse en de andere manier waarop dat de sociale cohesie in onze samenleving ondermijnt.

Sinds het uitbreken van de financieel-economische crisis zijn het vooral de middengroepen die klappen hebben gekregen: stevige lastverzwaringen. Terwijl hun inkomen toch al jaren onder druk staat. Bovendien komt hun positie steeds meer onder druk te staan van technologische ontwikkelingen. Waar de globalisering eerst de lager opgeleiden treft, omdat hun banen soms worden ‘ge-outsourced’ naar landen met lagere lonen, lagere kosten, en lagere belastingen, komt de middenklasse onder druk te staan door de robotisering en automatisering. Hoe ‘slimmer’ technologie wordt, hoe groter de kans dat ook de banen in het middensegment worden overgenomen.

Handel als vredestichter

En zo kom ik tot het thema van vanavond. Met het noemen van het WI-rapport over de bedreigde middenklasse zijn we deels al uitgekomen bij het onderwerp van vanavond: ‘Internationale handel in een tijdperk van populisme’.

Internationale handel en populisme zijn twee cruciale thema’s, die de laatste jaren in toenemende mate aan elkaar verknoopt zijn. Tot niet zo lang geleden was het ten aanzien van internationale handel bij veel mensen duidelijk. Handel is goed, heel goed, want we worden er rijk van. Zeker in Nederland, want ons land vaart al eeuwen wel bij internationale handel.

Handel levert niet alleen welvaart op, het leidt ook tot verbroedering en wederzijdse banden tussen volkeren, was de gedachte. Wie met elkaar handelt, hoeft geen oorlog te voeren, dachten velen. Dit was deel van de inspiratie om na de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog een gemeenschappelijke Europese markt op te richten. Handel is goed, en daarom moeten we handelsbarrières zoveel mogelijk afbreken. 

Met de val van de muur in ’89 kreeg dat ideaal nog een nieuwe impuls. Op die manier was en is internationale handel niet alleen een theorie van economen, maar ook deel van een liberale vooruitgangsdroom. Als alle landen met elkaar handelen, wordt iedereen welvarender en komt vrede steeds dichterbij. En laten we eerlijk zijn: de sterke toename van de internationale handel heeft ons ongelooflijk veel gebracht. Het heeft talloze miljoenen mensen uit de bittere armoede getild. 

Schaduwkant van neoliberalisme

Tegelijkertijd zien we nu dat de scepsis toeneemt. Niet alleen vanuit de klassieke linkse-socialistische partijen, maar ook vanuit de populistische partijen zwelt kritiek aan op wat nu ‘neoliberalisme’ wordt genoemd. Populistische partijen pleiten niet alleen tegen migratie, maar ook tegen multinationals. En zo zien we dat de anti-globaliseringsactivisten van links tijdens de Amerikaanse verkiezingen plotseling Donald Trump aan hun zijde kregen in het verzet tegen handelsakkoorden.

Maar als het gaat om deze kritiek? Hebben ze een punt? Om die vraag te beantwoorden, moeten we eerst afvragen of we niet te weinig hebben stilgestaan wat in de kern voor nodig om de handel, de internationale handel, te laten floreren.

Vertrouwen als basis

Handel is een daad van vertrouwen. Voor handel is vertrouwen nodig. Dat geldt voor personen onderling al. Als ik iets koop, moet ik erop kunnen vertrouwen dat het product goed werkt en de ander moet erop kunnen vertrouwen dat ik ga betalen. Zoals Adam Smith zelfs al wist: de vrije markt kan alleen floreren in een samenleving met een moreel fundament, waarin de wetten worden gehandhaafd. Vertrouwen is cruciaal voor een florerende handel.

Dat geldt nog meer voor internationale handel tussen staten. Het ene land stelt zijn markt open, in het vertrouwen dat het andere land dat ook doet. Het ene land stelt sectoren bloot aan concurrentie, in het vertrouwen dat het andere land dat ook in gelijke mate doet. Als beide partijen daar wantrouwig in blijven dan gaat de handel niet floreren. Als het ene land toch – in weerwil van de afspraken - een bepaalde sector blijft afschermen, dan zal het andere land dat ook doen. Dat wekt daarmee weer een kettingreactie op. En kom je in een neerwaartse spiraal terecht, misschien wel in een handelsoorlog.

Hetzelfde vertrouwen geldt bij de vraag of beide partijen uiteindelijk beter af zijn na het sluiten van een handelsverdrag. Economen hebben hier hele mooie economische modellen voor, die vrijwel zonder uitzondering positieve uitkomsten laten zien bij meer handelsliberalisatie. Wat die modellen echter niet altijd laten zien is waar en bij wie die positieve uitkomsten dan terecht komen en hoe die worden verdeeld. Wat als de voordelen alleen terecht bij de grote bedrijven en hun aandeelhouders? Als alle voordelen van die handel bij één kleine groep terecht komen, maar dat ten koste gaat van een grote groep werknemers en voor grote onzekerheid zorgen?

Maatschappelijke onzekerheid

Daarmee kom ik tot een tweede kernbegrip dat ik zou willen introduceren om het thema van deze avond – internationale handel in een tijdperk van populisme - goed te kunnend duiden. Dat is ‘maatschappelijke onzekerheid’.

Nederland is een land op drift. Veel mensen zijn onzeker over de toekomst. Neemt onze welvaart af? Staan onze waarden onder druk? Voelen we ons nog thuis in ons land? Ons land wordt geconfronteerd met ingrijpende demografische, culturele en economische veranderingen. Hoe kunnen mensen een gezin beginnen als ze steeds minder zekerheid hebben om over hun inkomen? Hoe een hypotheek te krijgen met alleen maar tijdelijke contracten? Maar ook de diepere vraag: wat betekent het om samen een gemeenschap te vormen? Allemaal vragen die rondzoemen in onze samenleving.

Een maatschappelijke onzekerheid langs twee dimensies: een culturele en een economische. En beide dimensies zijn sterk met elkaar verweven – denk aan arbeidsmigratie - en beide onzekerheden beïnvloeden elkaar negatief.

Tussen de daad van vertrouwen, die internationale handel is, en deze maatschappelijke onzekerheid, ligt een directe relatie. Iemand die onzeker is door opeenvolgende flexcontracten of iemand die zich zorgen maakt over onder druk staande Nederlandse waarden, zal minder geneigd zijn open te staan voor de veronderstelde macro-voordelen van handelsliberalisatie.

Maar omgekeerd geldt: met een zekerheid van een vast contract, met een economie, met bedrijven en werkgevers die uitgaan van een duurzame, wederzijdse en bestendige relatie tussen werknemer en werkgever, is het beter internationaal zaken doen. Dan ben je beter geëquipeerd voor die daad van vertrouwen die internationale handel is. Juist dan – en alleen dan - kun je op maatschappelijk duurzame wijze de internationale concurrentie aan. Concurreren op de wereldmarkt vraagt om een sterke samenleving. 

Centrale stelling: maak het sociaal

Mijn centrale stelling van de avond is dat: internationale handel het tijdperk van het populisme alleen overleeft, als het socialer wordt en vergezeld wordt door de beteugeling van snel groeiende maatschappelijke onzekerheden op verschillende niveaus. 

Oorsprong maatschappelijke onzekerheid

Waar komt die maatschappelijke onzekerheid vandaan? Waar heeft die zijn oorsprong?
Nog niet zo heel lang geleden was Nederland, ondanks de verzuiling, een relatief homogeen, christelijk land dat vrijheid hoog in het vaandel had, maar toch ook stevig verankerd in traditionele waarden over wat wij in onze samenleving hoog achtten, en welk gedrag wij afkeurden.

Daarbij was genoeg mis. Soms waren die banden knellend. Maar het bood wel een structuur. Van mensen werd verwacht dat ze zich inzetten voor hun zuil, kerk of lokale gemeenschap, en dat ze werkten om hun gezin te onderhouden. De samenleving kende verschillende sociale rollen die houvast boden en waar mensen hun eigenwaarde aan ontleenden. Wie zijn plichten als vader, moeder, werknemer, werkgever, als kerkganger of als vrijwilliger vervulde, kon op respect rekenen. 

Die oude sociale patronen zijn echter langzamerhand steeds meer op losse schroeven komen te staan. In de jaren zestig begon een nieuwe geest te waaien van vernieuwing, keuzevrijheid en individualisering. Waar de overheid 'collectiever' werd, nam het gemeenschapsgevoel juist af.

Dat was voor velen een bevrijding. Maar het heeft ook tot veel onzekerheid geleid. En hoewel de jaren zestig veel wereldverbeterend idealisme verkondigden, heeft het wel de weg voorbereid voor de opkomst van de dominantie van economische waarden in vrijwel alle sferen van het leven.

We hoeven het recente verleden zeker niet te idealiseren. Maar in sommige opzichten is de graaibankier die vooral bezig is met zijn eigen bonus op de korte termijn, of de werkgever die niet stilstaat bij de belangen van zijn werknemers, de logische opvolger van de hippies en nozems van daarvoor. Beiden trekken zich te weinig aan van de traditionele normen van hun eigen, lokale gemeenschap. 

Antwoord maatschappelijke onzekerheid

Voor een antwoord op de maatschappelijke onzekerheid zullen we nog een verdere stap terug in de tijd moeten zetten. Eind negentiende eeuw stond onze samenleving ook voor een groot sociaal vraagstuk: de snelle technologische veranderingen hadden krachten ontketend die de samenleving dreigden te ontwrichten. Als antwoord daarop ontstond het christelijk sociaal denken. Denk aan Kuyper en Rerum Novarum.

De kern van dat denken was om de arbeidsmarkt op grond van morele principes in te richten. Dit opdat de economie ten dienste staat van de gemeenschap. En niet andersom. Onze christelijk-sociale voorvaderen wisten: als we de kwaliteit van onze samenleving willen borgen, vraagt dat grenzen stellen. We willen iedereen perspectief op bestaanszekerheid geven. Zodat mensen gezinnen kunnen opbouwen, investeren in onderwijs, een huis kopen, en zo ook weer de gemeenschap verder brengen. 

Dominee Syb Talma, die zowel aan de wieg van de christelijke vakbeweging en als minister aan de wieg van de huidige AOW en ziektewet stond – u allen vast bekend - wees daarbij op de morele relatie tussen werkgever en werknemer. Een werkgever is geen zak geld en een werknemer is geen machine. Op beiden rust de plicht om te zoeken naar samenwerking.

Wat onze samenleving ook nu weer nodig heeft, is dat we die morele band tussen werkgever en werknemer herstellen. Dat we de kiezen voor duurzame en bestendige arbeidsrelaties. Want waar is de morele verantwoordelijkheid van werkgevers bij de doorgeschoten flexibilisering van onze arbeidsmarkt? Nergens.

Het argument voor flexibilisering is altijd dat de globalisering of de digitalisering van onze economie ons daartoe dwingt: we kunnen niet anders. Het tegendeel is waar. Nederland is al decennia kampioen flexibiliseren. Terwijl onze buurlanden onder vergelijkbare omstandigheden substantieel meer vaste arbeidsrelaties hebben. Niet globalisering, maar onze eigen wet- en regelgeving verklaart de omvang van flexwerk. En wetten en regels zijn de uitkomst van verkeerde politieke keuzes.

En verkeerd is die keuze voor flex. Want nog los van de maatschappelijke schade, zit de grootste innovatieve en competitieve kracht juist bij bedrijven die een duurzame relatie aangaan met hun werknemers. Die kracht zit bi jwerkgevers die met overtuiging willen investeren in hun werknemers. Juist dan kun je de concurrentie op de wereldmarkt aan. Juist dan ben je klaar voor meer vrijhandel.

Culturele dimensie maatschappelijke onzekerheid

Nu houdt de arbeidsmarkt niet meer op bij Lobith. We zien dat Oost-Europese landen vasthouden aan verkeerde EU-regels die maken dat hun werknemers tegen dumpprijzen in Nederland kunnen werken. Hierdoor worden Nederlandse werknemers volstrekt legaal uit de markt geprijsd. Onze arbeidsmarkt is niet meer los te zien van de gemeenschappelijke Europese markt en de migratie uit andere delen van de wereld, die ook om andere redenen onzekerheid oproept.

De meeste Nederlanders willen terecht bescherming bieden aan mensen die vluchten voor oorlog en geweld. Maar er zijn ook zorgen over te veel migratie, botsende waarden, en een stagnerende integratie. Zorgen over te veel migranten die langdurig afhankelijk blijven van de bijstand. Zorgen over nieuwkomers die zich niet genoeg identificeren met hun nieuwe vaderland. Dat zijn legitieme zorgen die een serieus antwoord behoeven.

Het antwoord op deze dimensie van de maatschappelijk onzekerheid begint bij te accepteren dat een gemeenschap fysieke grenzen nodig heeft. Een gemeenschap gedijt bij de gratie van een zekere ervaring van geborgenheid, van je thuis weten. Te snelle en te grootschalige migratie zet die ervaring onder druk. Het waarborgen van onze sociale samenhang en onze sociale welvaartsstaat vraagt om grenzen.

Immers, wie solidair is met iedereen is solidair met niemand. Dat kan niet en dat willen mensen niet. Maar de ervaring van je ergens thuis weten, die geborgenheid, heeft niet alleen te maken met solidariteit maar ook met gedeelde identiteit. We zijn niet alleen onderdeel van een economie, we wonen in een cultuur. En over wat die cultuur betekent, daar moeten we duidelijk en consequent over zijn.

Via deze twee lijnen – via de arbeidsmarkt en de culturele lijn - moet in mijn visie een antwoord gegeven worden op de heersende maatschappelijke onzekerheid.

Socialer maken internationale handel

Naast een antwoord geven op de maatschappelijke onzekerheid - als noodzakelijke voorwaarde voor internationale handel - zullen we ook moeten kijken naar het karakter van de handel zelf. Naar het sociale karakter van internationale handel.

In een interview in de Telegraaf van afgelopen 25 maart deed oud-staatssecretaris Ben Knapen een origineel voorstel. Hij zei daar het volgende: “Als we verwachten dat een handelsverdrag met Canada 500 miljoen euro oplevert, dan begrijp ik niet waarom we in ruil daarvoor niet meteen 250 miljoen euro extra naar de ouderenzorg laten gaan.”

Inderdaad, zou ik willen zeggen. Als we echt zo zeker zijn van de financiële voordelen van CETA, dan moet dat toch makkelijk kunnen?

In al zijn eenvoud is dit een briljant voorstel. Weg van het beeld dat handelsakkoorden alleen maar goed zijn voor grote bedrijven en hun aandeelhouders. Weg van het beeld dat alleen een hoogopgeleide kosmopolitische elite profiteert van meer handelsliberalisatie.

In lijn hiermee moeten we ook veel nauwkeuriger gaan kijken naar het banenverlies dat gepaard kan gaan met meer internationale concurrentie door meer vrijhandel. In CPB-doorrekeningen van banenverlies door CETA, wordt geconcludeerd dat dat eigenlijk niet heel veel is. Ik zou willen zeggen: doe dat juist niet. Het zal jouw baan maar zijn. Erken mogelijk banenverlies en anticipeer daarop.

Maak werknemers wendbaar en weerbaar en draag zorg voor een soepele overgang naar eventueel nieuw werk. Sociale partners hebben hierin een hele belangrijke rol te spelen – het CNV pakt die rol ook - maar poets hier de verantwoordelijkheid van de overheid niet weg. Ga als overheid – dezelfde die die handelsakkoorden sluit - naast de mensen staan die hun baan verliezen als gevolg van zo’n akkoord.

Socialere handelsafspraken

Internationale handel kan ook socialer als de afspraken over werknemersrechten net zo belangrijk zijn als de afspraken over bijvoorbeeld handelstarieven. In CETA zijn op zich mooie afspraken gemaakt over werknemersrechten, maar ze zijn niet afdwingbaar. Met andere woorden: het is een lege huls.

Nu is – mede onder druk van het CNV en andere vakbonden - door minister Ploumen het initiatief genomen om de afspraken over arbeid wel sanctioneerbaar te maken. Maar we weten allemaal dat de handtekening onder CETA al is gezet. Mosterd na de maaltijd dus. En we moeten nog maar zien wat er uiteindelijk komt.

Slotopmerkingen 

Internationale handel in een tijdperk van populisme. Nederland heeft als open economie baat bij vrijhandel. Dat vergt continu aanpassingen van ons allemaal. Draagvlak daarvoor blijft alleen bestaan als niet tegelijkertijd het leven van mensen ook op allerlei manieren in een ijltempo volstrekt onzeker en onvoorspelbaar wordt.

Zorg daarom dat iedereen de vruchten kan plukken van vrijhandel. En niet alleen de hoogopgeleide kosmopolitische elite. Zorg met het oog hierop voor hernieuwde maatschappelijke zekerheden. Herstel de norm van de duurzame arbeidsrelatie op de arbeidsmarkt. Handel daarbij vanuit het besef dat een gemeenschap zowel fysieke grenzen als morele ankers nodig heeft. Maak op die manier werk van een sterke en solidaire samenleving. 

Geef een reactie

Column voorzitter

Laat werkend Nederland profiteren van de groeiende economie

Vandaag maakte het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) bekend dat het aandeel van arbeid in de economie voor het derde...

[this div will be converted to an iframe]
×
×
×