Industriële bedrijven hebben in Nederland te maken met een ongelijk speelveld. Produceren is in de ons omringende landen vaak veel goedkoper. Dat komt onder andere door hoge energiekosten, een vol stroomnet, ingewikkelde en tijdrovende vergunningstrajecten en door onzekere CO2-heffingen. Nederlandse fabrieken hebben daardoor veel moeite de concurrentie met het buitenland vol te houden. Ze reorganiseren, sluiten of trekken de grens over.
Grote Nederlandse vlaggenschepen als Tata Steel en de haven in Rotterdam zitten inmiddels flink in de problemen. In Limburg bestaan er zelfs grote zorgen over het voortbestaan van het complete industriepark Chemelot.
Politiek moet knoppen draaien
‘De randvoorwaarden om het tij te keren zijn allemaal knoppen waar politiek Den Haag aan kan draaien’, zegt CNV-voorzitter Fortuin. ‘Sterker nog, onze leden en hun collega’s die werken in de industrie vinden dat Den Haag aan die knoppen móet draaien. Maar liefst 4.844 van hen hebben daar hun handtekening voor gezet. Zij willen dat Den Haag nu ingrijpt om hun banen in de industrie te redden. Om onze werkgelegenheid in de industrie te redden.’
Partijen hebben sleutel in handen
Namens al die mensen roept Fortuin alle politieke partijen op om de problemen in de industrie hoog op de politieke agenda te zetten. En daar te houden. ‘4 van de 10 CNV-leden die werken in de industrie maken zich inmiddels serieuze zorgen over het voortbestaan van hun baan. Ik hoop dat de politiek zich realiseert hoe verwachtingsvol zij naar Den Haag kijken. De politieke partijen moeten nu in actie komen. Zij hebben de sleutel in handen. Ik ga ervan uit dat zij hun stinkende best zullen doen om de zorgen van meer dan een miljoen werknemers in de industrie weg te nemen.’