De WW verandert – De veranderingen in de WW op hoofdlijnen

02-07-2015

Word nu lid!

Meld je aan bij CNV en profiteer van alle voordelen.

Word lid

Het kabinet en de werknemers- en werkgeversorganisaties hebben afgesproken dat de WW verandert. De belangrijkste veranderingen op een rij:

  • Het wordt voor WW-ers aantrekkelijker om met een WW-uitkering in lager betaald werk te gaan werken. UWV gaat -in plaats van de gewerkte uren- de inkomsten die met werken worden verdiend verrekenen.
  • WW-ers zullen sneller werk moeten accepteren dat niet aansluit bij ervaring en opleiding.
  • De berekening van de hoogte van de WW-uitkering verandert en de voorwaarden voor de dagloongarantieregeling wijzigen.
  • Deze maatregelen gaan in op 1 juli 2015 en gelden voor werknemers die op of na 1 juli instromen in de WW. Voor mensen die voor 1 juli 2015 al een WW-uitkering ontvangen geldt dat als de hoogte van de uitkering op of na 1 juli niet verandert er verder ook niets verandert. 

Wat verandert er aan de WW?

Berekening hoogte uitkering
Als een werknemer een WW-uitkering aanvraagt, stelt UWV vast hoe hoog de uitkering zal zijn. De basis daarvoor is het dagloon. Vanaf 1 juli 2015 verandert de wijze waarop het dagloon wordt berekend.

Voor het berekenen van het dagloon wordt vanaf 1 juli 2015 gekeken naar het sociale verzekeringsloon dat de werknemer verdiende in een periode van 12 maanden voordat hij werkloos werd. Ook als dit bij verschillende werkgevers is verdiend of als het is verdiend in verschillende dienstverbanden bij dezelfde werkgever.

Als de werknemer 12 maanden of korter heeft gewerkt, is het dagloon van de WW-uitkering lager dan het gemiddelde loon per dag dat hij verdiende bij zijn werkgever(s). Dat komt doordat het gemiddelde loon over een heel jaar wordt genomen. Het loon dat de werknemer in dat jaar heeft verdiend, wordt gedeeld door 261 (het aantal uitkeringsdagen in een jaar). Zo wordt het dagloon vastgesteld.

De bruto WW-uitkering is de eerste 2 maanden 75% en daarna 70% van het WW-maandloon. Het WW-maandloon is 21,75 maal het dagloon. Uiteraard is de hoogte van de uitkering anders als er bij de uitkering wordt gewerkt.

Inkomensverrekening: werken naast een uitkering is lonend
WW-ers worden gestimuleerd om naast de uitkering te gaan werken. Het inkomen dat een WW-er daarbij verdient wordt deels verrekend met zijn uitkering zodat hij er altijd op vooruit gaat. Voor de nieuwe wijze van verrekenen verandert de systematiek van doorgeven van inkomsten en het betalen van de WW. Op 1 juli 2015 verandert het volgende:

De uitkering wordt maandelijks betaald (mensen die voor 1 juli 2015 al recht hadden op een WW-uitkering krijgen hun uitkering per vier weken betaald).

WW-ers moeten elke maand na afloop van de maand aan UWV doorgeven of en hoeveel inkomsten ze in die maand hadden. Ook als er geen inkomsten zijn moet dat worden doorgegeven.

De uitkering wordt pas betaald als UWV de inkomstenopgave heeft ontvangen. De uitkering wordt dus na afloop van de maand betaald.

Een deel van het inkomen wordt niet verrekend met de uitkering. Het totaal inkomen van loon en uitkering is dus hoger dan alleen een uitkering.

Met de nieuwe regels wordt werken tijdens de uitkering aantrekkelijker. 70% van wat de WW-er verdient wordt verrekend met de uitkering. Dat wil zeggen dat 30% van dat inkomen ook echt extra inkomen naast de uitkering is. De eerste twee maanden geldt dat 75% van wat er wordt verdiend, wordt verrekend met de uitkering.

Bijvoorbeeld: Een werknemer verdiende voordat hij werkloos werd € 2000 per maand. Dat is het maandloon waarop zijn uitkering wordt gebaseerd. De WW is 70% van het maandloon, de maandelijks uitkering is dus € 1400. De WW-er gaat weer aan het werk en verdient € 1000 per maand. Deze inkomsten worden voor 70% verrekend met zijn uitkering. Van UWV ontvangt hij over die maand in plaats van € 1400 euro € 700 euro. Het totaalinkomen over die maand is dus € 1000 loon en € 700 uitkering. Dat is € 300 meer dan als hij die maand niet gewerkt had. 

Verandering sollicitatieplicht: eerder op elk soort werk solliciteren
Iedereen die een WW-uitkering ontvangt heeft een sollicitatieplicht. In de eerste periode geldt de sollicitatieplicht alleen voor banen die passen bij de ervaring en opleiding van de WW-er. Na verloop van tijd geldt de sollicitatieplicht ook voor banen die minder goed aansluiten bij ervaring en opleiding. Als zo’n baan wordt aangeboden moet de WW-er die accepteren. Vanaf 1 juli 2015 is de periode dat de sollicitatieplicht alleen maar geldt voor banen die passen bij de ervaring en opleiding van de WW-er verkort tot 6 maanden.

Als de WW-er naast een uitkering (deels) werkt dan blijft de sollicitatieplicht van kracht. In bepaalde situaties kan UWV een tijdelijke vrijstelling van de sollicitatieplicht verlenen. De vrijstelling eindigt na 3 maanden. Daarna moet de WW-er weer opnieuw gaan solliciteren om beter betaald werk te vinden of om meer uren te werken.

Fictieve opzegtermijn

Een werkgever moet bij ontslag rekening houden met de (wettelijke opzegtermijn). Als dat niet gebeurt, bijvoorbeeld door geen of een kortere termijn, dan start de WW-uitkering pas na afloop van deze periode.

Bij ontslag met wederzijds goedvinden is er een fictieve opzegtermijn. De Werkloosheidswet gaat er dan vanuit dat de werkgever wel een termijn in acht heeft genomen.

De dagloongarantieregeling verandert
Als een werknemer werkloos wordt of dreigt te worden en hij kiest er voor om in plaats van een uitkering een baan met een lager inkomen te accepteren, dan kan dat gevolgen hebben voor de hoogte van zijn uitkering als hij later alsnog de WW instroomt. Om te voorkomen dat mensen kiezen voor een uitkering in plaats van een baan, veranderen de voorwaarden voor de dagloongarantieregeling. De dagloongarantie wordt uitgebreid voor werknemers die van baan naar baan gaan en dan naar WW. Niet iedereen komt in aanmerking voor deze dagloongarantieregeling; er geldt een aantal voorwaarden. UWV kan vertellen of iemand hier wel of niet voor in aanmerking komt.

Veranderingen in de uitvoering

Tegelijkertijd met de invoering van deze maatregelen verandert ook de uitvoering. De betaling van de WW wordt maandelijks in plaats van elke vierweken. De WW wordt na afloop van de maand betaald en niet tijdens de maand.

Betaling WW-uitkeringAls een werknemer op of na 1 juli 2015 recht krijgt op een WW-uitkering dan krijgt hij ook te maken met een nieuwe betalingssystematiek. De WW-uitkering wordt niet meer per 4 weken betaald, maar per kalendermaand. De betaling van de WW-uitkering vindt plaats na afloop van de kalendermaand. Eerst moet de WW-er doorgeven wat hij in een maand heeft verdiend, daarna wordt de hoogte van de WW-uitkering vastgesteld en betaalt UWV de uitkering. Ook als er die maand geen inkomsten zijn dan moet dat aan UWV worden doorgeven.

Bijvoorbeeld: Vanaf 1 oktober heeft een werknemer recht op een uitkering. Vanaf 1 november kan hij doorgeven wat hij in oktober heeft verdiend. UWV berekent de uitkering en betaalt de uitkering binnen 3 tot 10 werkdagen na het doorgeven van de inkomsten over oktober. Dat wil zeggen dat de uitkering over oktober op zijn vroegst op 4 november wordt uitbetaald.

Einde uitkering
Als een WW-er meer dan 87,5% van het WW-maandloon verdient dan wordt de uitkering stopgezet. Als hij nog recht heeft op WW dan verliest hij dat recht niet. En als de werknemer vervolgens weer lang genoeg werkt, kan hij weer recht krijgen op een nieuwe WW-uitkering.

Op of na 1 januari 2016 recht op WW? Duur WW en opbouw van die duur verandert
Als een werknemer werkloos wordt dan heeft hij meestal recht op een WW-uitkering. De periode dat hij gewerkt heeft bepaalt hoe lang hij recht heeft op een WW-uitkering. Vanaf 1 januari 2016 wordt de maximale periode dat iemand een WW-uitkering kan ontvangen stap voor stap teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden. Werkgevers en werknemers kunnen in een cao afspreken dat deze periode wordt aangevuld met een aparte uitkering.

Ook de opbouw van de WW-duur verandert. Tot 1 januari 2016 geldt dat iemand voor elk gewerkt jaar recht op 1 maand WW opbouwt. Dit verandert vanaf 1 januari 2016. Voor de eerste tien jaar geldt dat een werknemer per gewerkt jaar een maand WW-recht opbouwt, daarna geldt dat voor elk gewerkt jaar een halve maand WW-recht wordt opgebouwd.

Bijvoorbeeld: Een werknemer heeft 5 jaar gewerkt, er is dan recht op 5 maanden WW-uitkering (in de oude en in de nieuwe situatie). Als de werknemer 18 jaar heeft gewerkt dan is de duur van het WW-recht in de oude situatie 18 maanden, maar in de nieuwe situatie is dat 14 maanden. De werknemer heeft in de eerste 10 jaar 10 maanden opgebouwd in de laatste 8 jaar 4 maanden.

Overgangsrecht

Voor mensen die voor 1 juli 2015 een uitkering hadden, geldt overgangsrecht. De betaaltermijn, verrekening van inkomsten, berekening van dagloon, garantieregeling en regels voor passende arbeid veranderen niet.

Bij berekening van het recht op WW na 1 januari 2016 wordt het arbeidsverleden berekend op basis van het recht, zoals dat geldt op 31 december 2015. De WW-rechten die zijn opgebouwd tot 1 januari blijven tellen voor 1 maand.

Voor werknemers die per 1 januari recht hebben op een WW-uitkering tussen 25 en 38 maanden geldt nog een extra overgangsrecht. In de periode vanaf 1 januari 2016 tot 1 april 2019 wordt de WW-duur per kwartaal teruggebracht naar 24 maanden.

 

 

Geef een reactie

  • Categorieën:
  • Werkloosheidswet

Column voorzitter

We blijven ons inzetten voor meer zekerheid en fatsoenlijk loon

Het zal niemand ontgaan zijn. Na maanden van intensieve besprekingen tussen vakbonden en werkgevers om oplossingen te...

[this div will be converted to an iframe]
×
×
×